Naar alle columns

Stieren van weleer

Door Agnes Frijlink

Daar staat hij, onverstoorbaar, 'De Stier' (1647) van Paulus Potter, in het zachte Hollandse licht. Ietwat nieuwsgierig draait hij zijn kop. Heeft hij in de gaten dat we naar hem kijken? Om hem heen zien we een landschap zoals we ons misschien nog herinneren van vroeger: weilanden zonder prikkeldraad met daarin schapen en wat koeien. Aan de horizon zien we een kerktoren als hoogste bouwsel. Het Nederland van voor de snelwegen en de skylines. Alles ademt rust. Alles klopt.

De Stier 1647
De Stier 1647 — Paulus Potter

Paulus Potter was nog maar begin twintig toen hij dit monumentale werk schilderde; monumentaal, want het doek is maar liefst 236,5 x 341 cm groot.
Potter was een schilder met een opmerkelijke gevoeligheid voor het gewone. In een tijd waarin zijn collega’s zich liever bogen over bijbelse taferelen of deftige portretten van regenten, richtte hij zijn penseel op de dieren die het boerenleven kleur gaven. Ze zijn geen bijzaak, maar hoofdzaak. Ze zijn geen onderdeel van het decor, maar hoofdrolspeler.

Potter had een opmerkelijke gevoeligheid voor het gewone

Dat zien we ook in het werk 'Twee koeien en een stier bij een hek naast een kale boom', dat hij in hetzelfde jaar schilderde. Dit is een veel kleiner werk, 49,5 x 37,2 cm. De wel erg lange titel beschrijft wat we hier zien. De dieren staan dicht bij elkaar, heel ontspannen en goedgemutst. Er is maar een heel klein stukje horizon (of uitzicht) links van de staande koe, die een klein onderonsje met de stier lijkt te hebben. Ik weet niet wat ze hem vertelt, maar hij kijkt er erg van op. Tussen de stier en de boom houdt de horizon op. Een aparte keuze, maar ook een mooie keuze. Op deze manier is er nog minder ruis en draait alles alleen maar om deze drie dieren.

Twee koeien en een stier bij een hek naast een kale boom 1647
Twee koeien en een stier bij een hek naast een kale boom 1647 — Paulus Potter

Kijk ik naar de koeien van Potter, dan knaagt er het heimwee naar het plattelandsleven van mijn jeugd. Ik groeide op in een gehucht met een paar boerderijen die nog betrekkelijk kleinschalig waren. De koeien hadden nog namen en alleen in de wintermaanden verbleven ze overdag op stal. Vanaf maart/april stonden ze te dringen om naar buiten gaan, waar ze heerlijk konden rondlopen, vers gras eten en ontspannen liggen herkauwen tegen een andere koe aan. Heimwee naar de geur van persvoer, hooi en stro en zelfs naar koeienstront, waar destijds nog niet te veel van was.

Met de koeien van Potter in mijn hoofd fiets ik langs de boerderijen van deze tijd, langs stallen die groter zijn dan sporthallen, met daarin eindeloze rijen koeien met computerchips in hun lijf. Melkrobots, voermachines, ventilatiesystemen, schaalvergroting, optimalisatie, automatisering. De boer is manager, de koe een nummer in een systeem.

Ach ja, zo gaat dat. Tijden veranderen. Maar gelukkig hebben we de koeien van Paulus Potter nog. Mocht je ooit weer eens het Mauritshuis bezoeken en je ziet De Stier van Potter hangen, blijf dan een tijdje staan. Als je lang genoeg kijkt, hoor je het geroezemoes van andere bezoekers niet meer. Je ruikt het land en de dieren; de boer geeft je een vriendelijke knik en jij knikt terug. Uitgerust.

Potter stierf helaas erg jong, hij werd slechts 28 jaar oud.